Ga naar de inhoud

Vraagbaak IV3 Provincies

Begrippenlijst

Eigen productieproces

Het eigen productieproces betreft het proces waarin zelfstandig goederen en diensten worden geproduceerd met als input eigen of ingeleend personeel en/of verbruik van goederen en diensten en/of verbruik van materiële vaste activa. Verbruikte goederen en diensten zijn daarbij in het eigen productieproces getransformeerd in andere producten of zijn volledig in het eigen productieproces verbruikt.

Europese Unie

Hiertoe worden gerekend de instellingen en organen van de Europese Unie zoals:

- de Europese investeringsbank;

- de Council of Europe;

- het EFSF;

- de European bank for reconstruction & development.

De lidstaten van de Europese Unie (inclusief de natuurlijke en rechtspersonen die daartoe behoren) worden hier niet toe gerekend.

Marktproducent

Een instelling is een markproducent als de door haar voortgebrachte goederen en diensten onder de volgende voorwaarden worden verhandeld:

  • de producent streeft naar winstmaximalisatie op lange termijn en verkoopt daartoe vrijwillig op de markt goederen en diensten aan wie bereid is de gevraagde prijs te betalen en wil op zijn minst op lange termijn zijn kapitaal- en andere productiekosten, inclusief het verbruik van vaste activa, door verkoop dekken;

  • de kopers streven, rekening houdend met hun schaarse middelen, naar nutsmaximalisatie door zich bij hun aankopen te laten leiden door de vraag welke producten tegen de aangeboden prijs het best aan hun behoeften voldoen.

Dit betekent ook dat de rechtsvorm van een producent (nv of bv) niet leidend is bij de bepaling of een producent ook een marktproducent is. Ter voorbeeld, sociale werkplaatsen kunnen ‘besloten vennootschap’ als juridische rechtsvorm hebben. Echter voor deze producenten zal niet gelden dat zij de intentie hebben (op lange termijn) hun productiekosten door verkoopopbrengsten te dekken. Zij worden daarom niet tot de marktproducenten gerekend.

Overheidsinstelling

Tot de overheid worden ten eerste gerekend het Rijk, de gemeenten, de provincies, de gemeenschappelijke regelingen en de waterschappen.

Het begrip overheid is echter breder. Een instelling behoort ook tot de overheid als deze:

én

  • de zeggenschap over de instelling bij de overheid ligt.

Zeggenschap over een eenheid (zoals bv. een stichting, onderneming of quasi-vennootschap) wordt gedefinieerd als de bevoegdheid om het algemene beleid of het programma van de eenheid te bepalen. Bij de volgende indicatoren is altijd sprake van zeggenschap:

  1. het recht om de meerderheid van functionarissen, directieleden enz. te benoemen of te ontslaan, of om hun benoeming tegen te houden: het recht om een meerderheid van het bestuur van een entiteit te benoemen of te ontslaan, of om de benoeming ervan goed te keuren of tegen te houden, volstaat om zeggenschap aan te tonen. Dit recht kan direct in handen liggen van één enkele eenheid in de publieke sector, of indirect in handen van een aantal van die eenheden. Indien de eerste reeks benoemingen plaatsvindt onder zeggenschap van de publieke sector maar latere vervangingen niet, blijft de eenheid tot de publieke sector behoren totdat de meerderheid van de directieleden niet meer benoemd is onder zeggenschap van de publieke sector;

  2. het recht om een meerderheid van de leden van belangrijke commissies van de entiteit te benoemen of te ontslaan, of om hun benoeming tegen te houden: als belangrijke aspecten van het algemene beleid, zoals de bezoldiging van hogere functionarissen en de bedrijfsstrategie, worden gedelegeerd aan subcommissies, dan is het recht om de in deze subcommissies zitting hebbende directieleden te benoemen of te ontslaan, of om hun benoeming tegen te houden, een bepalende factor;

  3. eigendom van de meerderheid van de stemrechten: dit duidt doorgaans op zeggenschap wanneer beslissingen op basis van één stem per aandeel worden genomen. De aandelen kunnen direct worden gehouden of indirect, waarbij de aandelen in het bezit zijn van alle eenheden van de publieke sector samen. Als beslissingen niet op basis van één stem per aandeel worden genomen, moet de situatie nader worden onderzocht om te bepalen of de publieke sector een meerderheid van stemmen heeft;

Bij de onderstaande indicatoren geldt dat een aantal afzonderlijke indicatoren gezamenlijk kunnen wijzen op zeggenschap:

  1. het recht om belangrijk personeel te benoemen of te ontslaan, of om de benoeming ervan tegen te houden: als de zeggenschap over het algemene beleid de facto wordt bepaald door invloedrijke bestuursleden, zoals de algemeen directeur, de bestuursvoorzitter en de financieel directeur, heeft de bevoegdheid om deze mensen te benoemen of te ontslaan, of om hun benoeming tegen te houden, meer gewicht;

  2. rechten op grond van speciale aandelen en opties: „gouden aandelen” waren ooit zeer gangbaar bij geprivatiseerde vennootschappen en komen daarnaast ook voor bij sommige entiteiten voor specifieke doeleinden. In sommige gevallen geven zij eenheden in de publieke sector bepaalde overblijvende rechten om belangen te beschermen; deze rechten kunnen permanent of tijdelijk zijn. Het bestaan van dit soort aandelen is op zich geen indicator van zeggenschap, maar moet wel zorgvuldig worden onderzocht, met name om na te gaan in welke omstandigheden de desbetreffende bevoegdheden kunnen worden gebruikt. Als de bevoegdheden het lopende beleid van de entiteit beïnvloeden, zijn zij van belang voor de classificatie van die entiteit. In andere gevallen gaat het om reservebevoegdheden die het recht kunnen verlenen om het algemene beleid in noodsituaties enz. te bepalen; deze bevoegdheden worden niet relevant geacht als zij niet het lopende beleid beïnvloeden, maar mochten zij worden gebruikt, leidt dat doorgaans wel onmiddellijk tot een herclassificatie. Wanneer entiteiten in de publieke sector een optie op aandelen hebben, levert dat in bepaalde omstandigheden een vergelijkbare situatie op; als dat het geval is, moet worden beoordeeld of de bevoegdheden om de optie uit te oefenen van invloed is op het algemene beleid van de entiteit;

  3. recht op zeggenschap via contracten: als de gehele verkoop van een entiteit naar één enkele eenheid of naar een groep eenheden in de publieke sector gaat, is er ruimte voor een dominante invloed die als zeggenschap kan worden aangemerkt. Als er andere afnemers zijn of kunnen zijn, impliceert dat doorgaans dat de entiteit niet onder zeggenschap van eenheden in de publieke sector staat. Als de entiteit als gevolg van de invloed van de publieke sector geen handel met afnemers in de particuliere sector kan drijven, is dit een indicatie van zeggenschap;

  4. recht op zeggenschap op grond van leningovereenkomsten of toestemming om te lenen: geldgevers leggen vaak controlemaatregelen op als voorwaarden voor het verstrekken van een lening. Als de publieke sector bij het verstrekken van een lening, of ter beperking van zijn risico bij een garantie, controlemaatregelen oplegt die strenger zijn dan de voorwaarden die een bank aan een vennootschap in de particuliere sector zou opleggen, is dit een indicatie van zeggenschap. Als een entiteit om toestemming van de publieke sector moet vragen om een lening te kunnen opnemen, is dit eveneens een indicatie van zeggenschap;

  5. zeggenschap door buitensporige regelgeving: als regelgeving zo strikt is dat deze feitelijk het algemene beleid van de onderneming dicteert, is dat een vorm van zeggenschap. In sommige gevallen kan er sprake zijn van een vergaande regelgevende betrokkenheid door de overheid, met name bij monopolies en geprivatiseerde nutsbedrijven wanneer er een aspect van openbare dienstverlening is. Die betrokkenheid kan belangrijke gebieden betreffen, zoals de prijsstelling, zonder dat de entiteit de zeggenschap over het algemene beleid uit handen geeft. Wanneer een entiteit er zelf voor kiest om in een sterk gereguleerde omgeving actief te worden of te zijn, duidt dat erop dat zij niet onder zeggenschap van de overheid staat;

  6. overige: zeggenschap kan ook worden verworven door wettelijke bevoegdheden of rechten die in het statuut van de entiteit zijn opgenomen, bijvoorbeeld om activiteiten, doelstellingen en operationele aspecten te beperken, begrotingen goed te keuren of om te voorkomen dat de entiteit haar statuut wijzigt, zichzelf ontbindt, dividenden goedkeurt dan wel haar relatie met de publieke sector beëindigt. Een entiteit die volledig of nagenoeg volledig door de publieke sector wordt gefinancierd, wordt geacht onder zeggenschap van de overheid te staan indien de controlemaatregelen voor die financieringsstroom zo restrictief zijn dat zij het algemene beleid op dat vlak dicteren.

Op grond van het bovenstaande worden, naast het Rijk, gemeenten, provincies, gemeenschappelijke regelingen en waterschappen, ook tot de overheid gerekend: universiteiten, openbare en bijzondere scholen, Uitvoering Werknemers Verzekeringen (UWV), Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), bibliotheken, ProRail, politie, Staatsbosbeheer, Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), sociale werkplaatsen, revolverende fondsen / regionale ontwikkelingsmaatschappijen, Kamers van koophandel. Ook stichtingen, musea en zwembaden kunnen tot de overheid behoren.

Niet tot de overheid behoren:
o.a. Bank Nederlandse Gemeenten (BNG), lokale omroepen en openbaar vervoerbedrijven als de NS, die (het merendeel van hun concessies) niet via aanbestedingen hebben verkregen.

Rijk

Tot het Rijk worden gerekend:

  • de ministeries zelf;

  • de agentschappen. Dit zijn de zelfstandige onderdelen van de ministeries die een eigen beheer voeren zoals Rijkswaterstaat, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Rijksgebouwendienst (RGB) en Dienst Landelijk Gebied (DLG);

  • de begrotingsfondsen, zoals het gemeentefonds, het provinciefonds, het infrastructuurfonds, het diergezondheidsfonds, het BES-fonds en het Deltafonds.

Quasi-vennootschap

Een quasi-vennootschap is een onderneming zonder rechtspersoonlijkheid die los functioneert van de eenheid (bijvoorbeeld een gemeente) waartoe zij behoort, alsof zij een vennootschap is. Zij gedraagt zich in economisch en financieel opzicht anders dan de eenheid waartoe zij behoort.